Mijn  beeldend werk vindt zijn beginpunt in het schetsen van bescheiden onderwerpen: een kluit wortels, een verdroogd blad, de schaduw van een tak. In mijn beelden, keramiek, tekeningen en papiersnedes onderzoekt ik de grenzen waarmee die onderwerpen en mijn eigen schetsen mij confronteren. Niet formeel, maar intuïtief.
Lijn en vlak, zwart en wit, plat vlak en ruimte: dat zijn de drie belangrijkste grensgebieden die ik verken. Vanuit expressieve lijnen schep ik spannende vormen. Het zwart en het wit krijgen levendigheid door de grijstinten die hen verbinden – of door die ene contrasterende kleur die ik toevoeg. En wat betreft het platte vlak en de ruimte: mijn beelden zijn in veel gevallen verwant aan reliëfs, terwijl tekeningen juist evolueren tot driedimensionale objecten.
Een vierde grens in mijn werk is die tussen orde en chaos – net als mijn onderwerpskeuze. Ik begin klassiek, met een schets op papier, maar ontsnap aan het platte vlak door de tekeningen om te werken tot papiersnedes: ik snijd de lege ruimtes uit de tekeningen nauwkeurig weg, waarna ik de tekening met spelden opprik, op enige afstand van de drager, waardoor fysieke diepte ontstaat. Naast de diepte die al in de tekening zat dringt het licht door de gaten, de tekening werpt spannende schaduwen, schept ruimte en een nieuwe speelsheid.
Andere tekeningen  vormen de aanleiding tot sculpturen. Zo leidden schetsen van een groot blad, gevonden in het oerwoud in Suriname, uiteindelijk tot robuuste beelden van keramiek, in aardkleuren gepigmenteerd, waar toch steeds weer het platte vlak in terugkeert: de in drie dimensies gebogen en omgekrulde vorm van het oorspronkelijk dunne, haast tweedimensionale blad.
Ik ga graag uit van complexe structuren en organische patronen; Ze doen mij aan het kleine als aan het grote denken: haarvaten,bladnerven,bosranden en rivierdelta’s. Grillige vormen op de rand van de chaos.